Het front van de Grote Oorlog kan vergeleken worden met een vraatzuchtige machine die voortdurend gevoed moet worden met mensen, goederen (voedsel, water, brandstof), wapens en munitie uit het achterland.

Op het deel van het Westelijk Front tussen de Provincie West-Vlaanderen en de Aisne telt men in de eerste maanden van de oorlog honderdduizenden geallieerde soldaten uit het Verenigd Koninkrijk en zijn dominions, maar ook uit Frankrijk en zijn kolonies. De gebieden achter het front veranderen in gigantische logistieke draaischijven waar nieuwe rekruten en soldaten die pas van het front terugkeren en tijdens hun verlof wat verpozing zoeken of gewonden die uit de helse gevechten geëvacueerd zijn, elkaar kruisen... Alle logistiek die noodzakelijk is voor de bevoorrading van soldaten en wapens bevindt zich in deze geografische sleutelzone die tegelijk buiten het bereik van de vijand maar dicht bij het front ligt.