Aan Duitse kant is de controle nog strenger, met uitzondering van het deel van België onder burgerlijk bestuur. Deze controle is echter enkel mogelijk met de hulp van de gemeentelijke overheden, die heel de oorlog lang door de Duitsers in stand worden gehouden. Aan deze kant van het front zijn verplaatsingen buiten de gemeente verboden. De gemeentelijke grenzen zijn strikt afgebakend, soms door borden met opschriften in het Frans en het Duits. Om zones te verlaten die als dusdanig zijn afgebakend, is een pasje onontbeerlijk. Die worden echter maar zelden afgeleverd. Er moet voor betaald worden en elke stad heeft haar quota op de afgifte ervan. In sommige dorpen hebben enkel de priesters, burgemeesters en verantwoordelijken voor de bevoorrading de toelating van de Duitse militaire commandant om zich te verplaatsen. Zij spelen de rol van boodschappers en brengen nieuws mee uit de omliggende streek.

In de zones die door Duitsland worden gecontroleerd, worden de enige grootschalige verplaatsingen van burgers door de bezetter georganiseerd.
Zo deporteert het Duitse leger de hele oorlog lang burgers naar andere bezette gebieden of naar Duitsland. Dit is om handarbeid te voorzien in gebieden waar hier een tekort aan bestaat. In het begin proberen de militaire overheden om gebruik te maken van vrijwillige arbeid tegen betaling. Omdat de bevolking echter weigert om deel te nemen aan wat zij beschouwt als heulen met de vijand, dienen maar weinig mannen zich aan. Er wordt dus overgegaan op de vordering van arbeidskrachten. Groepen mannen met een rode armband, die hen identificeert als dwangarbeiders, worden voor dwangarbeid gedeporteerd.

Andere burgers worden als gijzelaar weggevoerd. In Frankrijk worden sinds de oorlogsverklaring Duitse staatsburgers gevangen genomen. De twee landen houden onderhandelingen over hun bevrijding. Om druk uit te oefenen op de Fransen, gaan de Duitsers over op de deportatie van gijzelaars naar Duitsland. In november 1916 worden 200 mannen, vrouwen en kinderen uit Noord-Frankrijk gedeporteerd naar Holzminden (Nedersaksen). Omdat de onderhandelingen niet vooruit gaan, beroepen de Duitsers zich begin 1918 opnieuw van deze methode en deporteren ze ongeveer 1.000 gijzelaars.

Ook mannen en vrouwen die zich schuldig hebben gemaakt aan daden van verzet tegen de bezettingsautoriteiten worden naar Duitsland gestuurd.

Tot slot is de repatriëring van 'nutteloze eters' een andere reden voor de deportatie van burgers, geïntroduceerd door de Duitsers. Bejaarden, vrouwen en kinderen worden uit de bezette gebieden via Zwitserland naar Frankrijk geëvacueerd.

Loading, please wait...
  • Gehlsen Max (1881-1960), Sallaumines, straat, 17 december 1915, aquarel op papier, Departementale archieven van Pas-de-Calais – nummer 47 Fi 29/1

    In de bezette dorpen komen burgers en militairen met elkaar in contact

  • Een Duitse soldaat aan een wachtpost tussen Vlaanderen en Duitsland, eerste kwart van de 20ste eeuw, analoge foto op papier, coll. Historial de la Grande Guerre, Péronne

    Op het plakkaat staat te lezen: "Wer den Zaun unerschreitet wird ohne Anruf erschossen": "Iedereen die deze grens overschrijdt, wordt zonder waarschuwing neergeschoten".

  • Aankondiging van de Kommandatur betreffende de toelating om vanuit Laon met de trein te reizen, mits vrijgeleide, 17 juni 1915, papier, Departementale archieven van de Aisne – nummer FRAD002 Laon 4H164

Sallaumines, DorfstrasseDuitse soldaat aan een wachtpost tussen Vlaanderen en DuitslandAankondiging van de Kommandatur