Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog willen de leiders van China, dat tot 1917 neutraal is gebleven, aan de zijde van de geallieerden een bijdrage leveren aan de oorlogsinspanningen, om zo een plaats in te nemen in de internationale arena. Hun neutraliteit verbiedt hen echter om hun onderdanen naar de gevechten te sturen.
 Het zijn dus Chinese arbeiders die naar Europa worden gestuurd. Zij komen vanaf 1917 aan in Frankrijk en België om scheepsvrachten te lossen, nieuwe spoorwegen te bouwen tussen front en achterland of te werken in de munitiefabrieken. Zij zijn geplaatst onder Frans en Brits bevel en sommigen van hen blijven tot 1920 in Europa, waar zij deelnemen aan het ruimen van de slagvelden en de reconstructie. Niet alle Chinezen van het Chinese Labour Corps (CLC) zijn echter arbeiders. Ook tolken reizen met hen mee naar Europa. Gu Xingqing is daar één van. In een boek vertelt hij over zijn reis, zijn ervaring als vertaler van het CLC en zijn betrekkingen met de westerlingen.