Handleiding leerkracht

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bereikt de productie en het gebruik van destructieve wapens een ongekend niveau. De ongekende slachting, veroorzaakt door de industriële en technologische oorlog, en de druk van het maatschappelijke middenveld veroorzaken een grondige verandering van de relatie van de naties tot hun doden. In de negentiende eeuw wordt de dood op het slagveld gezien als "een onvermijdelijk collectief lot waar de overledene zowel de dood en de anonimiteit [binnentreedt]"1. Het massagraf was toen gereserveerd voor de soldaten, terwijl de hoge officieren in individuele graven werden begraven. Deze gezamenlijke begrafenissen van de manschappen op het slagveld beantwoordden aan de behoefte om de gevechtszones te reinigen.

Individuele graven

De Grote Oorlog zorgt echter op zijn beurt voor een verandering van de houding en een diep respect voor de individuele doden. Er wordt een administratief en fysiek beheer van de soldatenlichamen opgezet. Dit beheer wordt geïllustreerd door drie documenten die de uiteindelijke verplaatsingen van de lichamelijke overschotten van gevallen soldaten karakteriseren.

De schets toont het project van de "militaire afdeling" voor de begraafplaats Saint-Just, uitgevoerd door de architect van Laon in november 1918, een paar dagen na de wapenstilstand. Net als de foto van de soldaten die zich bezinnen aan de graven, onthult dit een van de elementen van de begrafenisgebruiken die toen werden ingevoerd.

Thierry Hardier en Jean-François Jagielski2 herinneren eraan dat de Franse militaire regelgeving tot 1915 vereist dat Franse soldaten worden begraven in de nabijheid van de plaats van de gevechten, in kuilen gegraven door de etappetroepen onder het toezicht van de gezondheidsofficieren. De kuilen mogen plaats bieden aan maximum 100 kadavers (6 voor de Britten, maar individuele graven voor de Duitsers) en hebben tot doel het uitputtende werk van de brancardiers en doodgravers te verlichten ten tijde van de hoge sterfte na zware en langdurige gevechten. Vanaf het begin van de oorlog worden oorlogsgraven geïmproviseerd op de plek waar de manschappen sneuvelen: In een granaatkrater, in het midden van een bos of aan de rand van een dorp. Tijdelijke begraafplaatsen worden ook opgezet bij de hulpposten of militaire ziekenhuizen. Maar omwille van de stellingenoorlog begonnen de soldaten steeds vaker individuele graven te graven, die van elkaar verschilden, om hun kameraden die stierven voor Frankrijk te eren. De militaire autoriteiten hebben geprobeerd om rekening te houden met deze mentaliteitsverandering.

De Franse wet van 29 december 1915 verzekert aan de Franse soldaten en die van de bondgenoten een permanent graf op nationaal grondgebied. Op de overlijdensaktes van de oorlogsslachtoffers moet "gesneuveld voor Frankrijk" worden vermeld. Deze erkenning van het individuele offer leidt vervolgens tot concrete maatregelen in de oorlogszone of op de begraafplaatsen van de ziekenhuizen in het achterland: het massagraf verdwijnt, ten voordele van individuele graven. Deze maatregelen worden overigens door alle geallieerden overgenomen. Hun voorlopige karakter wordt echter erkend: de correcte identificatie van de overblijfselen moet bij latere opgravingen mogelijk zijn. De graven worden vervolgens gekenmerkt door eenvoudige houten kruisen (zie document 1).

Om een betere controle van de graven te verzekeren en de gezinnen beter te kunnen informeren, creëert het Franse Algemeen Hoofdkwartier in juli 1915 een dienst burgerlijke staat op het slagveld, die verantwoordelijk is voor het identificeren, verzamelen en registreren van de oorlogsgraven. Van Britse zijde wordt in hetzelfde jaar de Graves Registration Commission opgericht, de toekomstige Commonwealth War Graves Commission. Al snel echter worden de burgemeesters van de frontgemeenten, omwille van de moeilijke organisatie van de begrafenissen, de gesprekspartners van de militaire dienst voor burgerlijke staat ter plekke.

Permanente begraafplaatsen

 In de nasleep van de gevechten blijft het probleem van de doden, in het bijzonder dat van hun groepering in permanente en nationale begraafplaatsen, een centraal aandachtspunt van de voormalige strijdende partijen. In Laon worden de tussen 2 augustus 1914 en 24 oktober 1919 in de sector gesneuvelde soldaten begraven op gemeentelijke begraafplaatsen, zoals dat van Saint-Just (621 graven). Ze bevatten alleen geallieerde soldaten, de Duitsers hebben hun eigen begraafplaatsen (uitbreiding van de wet van 29 december 1915 tot de vroegere vijanden op 28 juni 1922). Het valt op dat de Senegalese schutters worden gegroepeerd onder de benaming "Zwarten". Er wordt niet verwezen naar hun land van herkomst. De begraafplaats Saint-Just is enkel een voorlopige begraafplaats. Vervolgens worden nationale begraafplaatsen gecreëerd, voor het hergroeperen van de lichamen van de soldaten in deze sector. Alhoewel de wet van 31 juli 1920 de restitutie toestaat, op kosten van de staat, van de families die dit wensen, wordt het merendeel van de overblijfselen van de soldaten, al dan niet geïdentificeerd, begraven in de nationale begraafplaatsen.

Aan het einde van het conflict proberen winnaars en verliezers een nieuw soort begraafplaats te creëren, waarvan de omvang overeen komt met die van de industriële oorlogsvoering. De wet van 25 november 1918 creëert een Nationale Commissie voor oorlogsgraven om de architecturale basisprincipes van de militaire begraafplaatsen te bepalen: plaatsen die bestaan uit eenvoudige, pure, repetitieve vormen (verschilt per land); nationale groepering; standaardisatie van kruisen en grafstenen in duurzame materialen: kalksteen voor de Britten; gewapend beton en daarna composietcement voor de Fransen; steen of aluminium voor de Duitsers (naar Yves Le Maner, "De algemene principes voor de aanleg en inrichting van de dodenakkers", http://www.wegenvanherdenking-noordfrankrijk.com/). Deze begraafplaatsen zijn bovendien evenzeer ontworpen als herdenkingsplaatsen, als voor plaatsen van bezinning voor de gezinnen die getroffen zijn door de dood van een geliefde.

De Chinese begraafplaats van Nolette, dichtbij Noyelles-sur-Mer in het district van Abbeville (Somme), is een voorbeeld van de esthetische criteria die de Britten uitkozen voor hun begraafplaatsen. Honderdduizenden Chinezen komen in 1917 naar Frankrijk als werknemers in dienst van de Franse en Britse legers. De overeenkomsten gesloten in 1916 tussen de Chinezen aan de ene kant en de Fransen of Engelsen aan de andere kant, bepalen dat de manschappen, gerekruteerd door de twee legers, niet bedoeld zijn om te vechten. Ze worden naar Frankrijk en België gestuurd om te dienen als handarbeider in de munitiefabrieken, havens, om spoorwegen te bouwen, de slagvelden schoon te maken ....

Deze Chinese arbeiders waren gegroepeerd in kampen en hadden last van moeilijke hygiënische omstandigheden en het harde klimaat. Velen van hen werden ziek en stierven, in het bijzonder in Noyelles-sur-Mer. Anderen werden het slachtoffer van bomaanslagen of explosies van munitie. Hun lichamen werden tijdelijk begraven in de buurt van de plaats waar ze stierven. Aan het einde van het conflict organiseerde het Britse leger begraafplaatsen, en in het bijzonder dat van Noyelles-sur-Mer aan de Somme. Deze begraafplaats houdt rekening met de herkomst van de mensen die er begraven liggen, hoewel ze de esthetische kenmerken van de Britse begraafplaatsen bewaart (grafstenen, rozenstruiken …). De bomen die er zijn geplant herinneren aan het land van herkomst: drie Libanese ceders, dennen en bosjes chrysanten. De witte marmeren grafstenen dragen inscripties in het Chinees en het Engels en het ingangsportaal van de begraafplaats dient als een gedenkteken. Elk graf bevat de Chinese naam van de arbeider en zijn Chinese fonetische transcriptie. De Engels autoriteiten hebben ook voor elk graf een Chinees grafschrift gekozen en vertaald: "A noble duty bravely done" (een nobele taak, dapper uitgevoerd); "A good reputation for ever" (voor eeuwig een goede naam); "A little man but a great heart" (een kleine man maar een groot hart).

Voor het opstellen van deze steekkaart werden de volgende werken gebruikt:

  • HARDIER Thierry, JAGIELSKI Jean-François, "Le Corps des disparus durant la Grande Guerre : l’impossible deuil", in Quasimodo, nr. 9, voorjaar 2006, pp. 75-95;
  • LE MANER Yves, "De algemene principes voor de aanleg en inrichting van de dodenakkers", http://www.wegenvanherdenking-noordfrankrijk.com/;
  • REMBERT Sébastien, RŒLLY Aude (dir.), 90 ans après. Onuitgegeven archieven van de gemeentes van de Aisne tijdens de Grote Oorlog, uitgegeven door de departementale archieven van de Aisne, Laon, 2008, 247 p. ;
  • Dossier over de "herdenkingsplaatsen", gepresenteerd op de website van het Regionaal Centrum voor Pedagogische Documentatie van Champagne-Ardennes (http://www.cndp.fr/crdp-reims/memoire/lieux/default.htm).

Om zich hier verder in te verdiepen, kan men ook de volgende werken lezen: CAPDEVILA Luc, VOLDMAN Danièle, "Les Dépouilles de l’ennemi entre hommage et outrage", in Quasimodo, nr. 9, voorjaar 2006, pp. 53-73; RIGEADE Catherine, "Approche archéo-antrophologique des inhumations militaires", in Socio-anthropologie, nr. 22, 2008, pp. 93-105.

 

1 HARDIER Thierry, JAGIELSKI Jean-François, "Le Corps des disparus durant la Grande Guerre : l’impossible deuil", in Quasimodo, no. 9, voorjaar 2006, pp.82

2 Ibid.